18 december 2000. Mijn ontmoeting met Harry Mulisch. Hij zou voorlezen in het concertgebouw, Reinbert de Leeuw zou er muziek bij spelen die Mulisch had uitgezocht.
In de pauze bleek er een signeersessie te zijn. Natuurlijk had ik niets bij me. Snel naar de tafel van de uitgeverij. Maar alle boeken die er lagen had ik al, sommigen zelfs in meervoud. Behalve De Verhalen, vrij recent aangevuld en uitgegeven. Maar die was meteen 70 gulden, zo’n beetje het complete bedrag waar ik de rest van de maand van moest leven. Een tweede exemplaar van De Procedure of een goedkope herdruk van De Ontdekking van de Hemel, waarvan ik al twee exemplaren had, waren echter weinig aantrekkelijke alternatieven. Na lang twijfelen toch maar De Verhalen, en toen in de rij voor een handtekening. Na mij sloot er nog één iemand aan, de rest was blijkbaar al voorzien, Conny Palmen en Hans van Mierlo uitgezonderd.
Eenmaal aan de beurt sloeg hij het boek open, zette snel en routineus een krabbel, en terwijl ik wegliep nog een, de laatste.
De gong luidde, einde pauze.