Literatuuronderwijs op de mavo stelt weinig voor. Als je 6 Nederlandstalige boeken las voor je eindexamen was men al tevreden. Poëzie kwam al helemaal nauwelijks aan bod. Al wat ik daar over leerde was: poëzie is een gedicht, een gedicht rijmt en dat schrijf je met Sinterklaas. Een beetje kort door de bocht, maar daar kwam het op neer. Hoe poëzie te lezen, waar een goed gedicht aan voldoet, welke dichters in de canon thuis horen en waarom, het bleef allemaal duister. Ik heb de poëzie dan ook lang links laten liggen, want waar te beginnen?
Zojuist las ik de bundel poëziebeschouwingen Kost en inwoning van Gerrit Komrij:
Een gedicht is geen verhaaltje. Een gedicht is… nu ja, een gedicht. Een reeks woorden waarbij het ene woord voortvloeit uit het andere, ook als ze niet uit elkaar voortvloeien. Woorden die niet zonder andere woorden kunnen en die je toch op hun eigen merites moet beoordelen.
Komrij is een kenner. Zijn De Nederlandse poëzie van de twaalfde tot en met de twintigste eeuw in 3000 en enige gedichten staat hier in de kast, en belangrijker nog, komt er ook regelmatig uit.
Kost en inwoning (poëzie is geen tijdelijk onderdak, poëzie is kost en inwoning) is de derde bundel over poëzie, na In liefde bloeyende en Trou moet blycken. Het is ook zijn laatste als we hem moeten geloven.
De bundel is opgedeeld in vier delen: onderbelicht, te hoog gegrepen, levende dichters, dode dichters. Vooral “te hoog gegrepen” is een lust om te lezen. Ik moet lachen om de manier waarop dichters en gedichten worden afgeserveerd, maar Komrij maakt ook goed duidelijk waarom, het is niet zo maar dichtertje pesten.
Komrij blijkt ook een vervent gebruiker van internet. Zo behandelt hij dit gedicht (ook “te hoog gegrepen”) en verbaast hij zich dat onderbelichte dichters als Willem van den Aker en Frans Buyle niet tot nauwelijks googlebaar zijn.
Arme Willem van den Aker, niet één hit op Google. Daar is geloof ik een term voor verzonnen, voor woorden of woordcombinaties die zelfs googlend geen resultaat opleveren, zo zelden komen ze voor. Een hapax bij Homerus was tenminste nog een woord dat één keer kon worden aangetroffen, maar een naam die nergens bestaat? Daaraan hangt een dichter die niet bestaat.
Tegelijkertijd is het ook een gids. Ik wil meer lezen van de onderbelichte Hendrik van Teylingen (“Hoe kan iemand een hare krisjna zijn, in zo’n sinaasappeljurk, en tegelijkertijd een van de meest komische dichters uit onze literatuur?”), Eddy van Vliet en Mustafa Stitou. Maar bovenal ook die eerder twee bundels. In liefde bloeyende en Trou moet blycken.
(Gerrit Komrij – Kost en inwoning)
