
De dood speelt altijd een rol in het werk van Jan Wolkers, maar niet eerder zó prominent als in De Doodshoofdvlinder. Geschreven naar aanleiding van de dood van zijn eigen vader, vertelt het boek het verhaal van de vijftiger Paul, leraar geschiedenis, die aan het begin van de herfstvakantie het bericht krijgt dat zijn vader overleden is. Op weg naar het ouderlijk huis krijgt hij in dichte mist een aanrijding, zelf wat blikschade en een zere nek, de tegenligger, een vrouw, gaat met haar hoofd door de voorruit.
Driekwart van het boek is het mistig, een broer van de hoofdpesoon rijdt een hert aan wat een motorkap vol zwart geronnen bloed oplevert, de schipholtunnel wordt omschreven als een karkas met de lampen als ruggenwervels, bossen bloemen verwelken in no-time, herinneringen aan vader gaan over het kweken van maden op vlees als visvoer en Paul ziet regelmatig allerlei bizarre beelden rondom de dood en de begrafenis voor zijn geestesoog verschijnen.
Waar in eerdere boeken de dood afgewisseld werd met humor en seks, is dit boek één grote aaneenschakeling van dood en verderf. Humor is nauwelijks te vinden, en seks beperkt zich tot een troosteloze rukpartij en een al even troosteloze scène met een tippelhoertje. Neem daarbij de sombere zwarte vormgeving en je hebt een boek waar weinig leesplezier aan valt te beleven, hoe goed het ook geschreven is.
(Jan Wolker – De Doodshoofdvlinder)
