Wie heeft dat niet gedaan als kleuter? Een vel papier, een paar klodders verf erop en vervolgens dubbelvouwen. Het resultaat is een soort van rorschach test. De twee helften zijn zowel identiek aan elkaar als elkaars spiegelbeeld. Een soort gelijke situatie is er ook bij De Junival en De Doodshoofdvlinder.
Ging De Doodshoofdvlinder over de dood van de vader, De Junival gaat over de dood van de moeder. Tot zover identiek. De dood van een ouder als thema. Maar net als met het kleuterwerkje is het voor het overige een spiegelbeeld. Een totaal ander boek.
Bij mijn vaders begrafenis was er een voelbare spanning. Alsof er, tot aan de rand van het graf, ineens iemand door godsdienstwaanzin bevleugeld in de grafkuil had kunnen springen en op de kist gaan bonken om die dode patriarch tot leven te wekken. De onbezonnen wildheid van de geest die denkt te kunnen waaien waarheen hij wil. Maar bij de begrafenis van mijn moeder was het de gelatenheid van dat zware moederlijke lichaam dat onontkoombaar de weg van alle vlees moet gaan. De wijsheid en matheid van de berusting.
Geschreven in eerste persoon enkelvoud in plaats van derde, de ik figuur heet René in plaats van Paul, de ik figuur is schrijver in plaats van leraar. Maar uiteindelijk zijn beide natuurlijk Jan Wolkers, met een broer die overleed in de oorlog en ouders die een winkel hadden die terugliep zoals dat in Terug naar Oegstgeest al verteld is. En broer Karel uit De Doodshoofdvlinder komt ook weer voor, dit keer zonder naam maar door de omschrijving van zijn gedrag herkenbaar. In beide boeken wordt Shakespeare veelvuldig geciteerd. De Doodshoofdvlinder is een zwart boek, De Junival is licht, zowel qua toon als qua vormgeving.

Wat het luchtig maakt is dat de dood van de moeder verweven is met de dood van poes Voske, 21 jaar de vaste levensgezel van de hoofdpersoon. De vertederende herinneringen aan het beestje zijn prachtig om te lezen, en inderdaad: “eigenlijk zou elke kattenliefhebber dit boek moeten lezen“.
Het leuke van zo achter elkaar al die boeken lezen van één schrijver is dat je dingen gaat herkennen, vooral ook omdat hetgeen waar Jan Wolkers over schrijft beperkt is. Alles is verweven met of gebaseerd op zijn eigen leven. Poes Voske komt ook regelmatig voor in het dagboek, en de manier waarop René het beestje in De Junival koopt vertoond sterke gelijkenissen met hoe Eric een poesje koopt voor Olga in Turks fruit.
Toen ik een keer op de Albert Cuypmarkt groente ging kopen zag ik een klein katje tegen het raam van de dierenwinkel op staan. Ik zette mijn fiets neer en bekeek het pluizige diertje aandachtig. Het was rood-zwart gevlekt, een kleur rood als Olga’s haar. Het had een licht puntje aan zijn staart en er liep een licht streepje van zijn voorhoofd naar zijn neus……Voor een rijksdaalder werd hij mijn eigendom. Ik stopte hem onder mijn jak op mijn borst omdat het regende. Onderweg kroop hij over schouder naar mijn arm.
[Turks fruit, 46e druk, blz 99-100]Op een dag zag ik haar met een stuk of vijf lotgenoten onder een lamp in de etalage van een dierenwinkel liggen…
…Het was een schildpadkatje, zoals Edgar Allen Poe op het bed van zijn aan tering wegkwijnende geliefde had liggen. Ze was vlammend roestkleurig-zwart gevlekt als het materiaal schildpad en ze had een koket streepje over haar neus en een puntje aan haar staart van beige-oranje…
…Ze koste maar een rijksdaalder. Schandelijke slavenhandel, tweeëneenhalve gulden voor een levensgezellin. Onderweg naar huis kroop ze in de mouw van mijn ruime legerjack en maakte daar hetzelfde snorrende geluid als de banden van mijn fiets over het drijfnatte asfalt.
[De Junival, 1ste druk, blz. 66-67]
Dat Jan Wolkers ooit op een regenachtige dag bij de dierenwinkel een rood-zwart gevlekt katje heeft gekocht voor twee gulden vijftig staat buiten kijf.
(Jan Wolkers – De Junival)
