Tot nu toe las ik enkel delen van cycli van van der Heijden, ik werd nieuwsgierig naar een compleet, afgerond verhaal. Het werd Het leven uit een dag. Uiteindelijk een goed boek, maar daar zag het lange tijd niet naar uit.
In Het leven uit een dag is de mens een soort van ééndagsvlieg. Alles gebeurd slechts éénmalig, tijd voor herhaling is er niet. Na de dood komt de mens in de hel, of in de hemel, afhankelijk van hoe men geleefd heeft.
De hel, immers, geldt als de wereld van de herhaling. In de wereld van de hel zal de ene dag nauwelijks verschillen van de andere. Er zal net genoeg verschil zijn om afwisseling te suggereren, een afwisseling die de dodelijke gelijkvormigheid van alle dagen alleen maar benadrukt.
Dat is een idee waar ik mij wel in kan vinden, ik gebruik het woord hel ook wel als afkorting voor het echte leven.
Minder aan het boek is dat, in mijn beleving in ieder geval, de tijdslijn niet klopt. Dat een mens vierentwintig uur leeft, prima. Dat iemand in vier uur tijd van baby naar volwassen lengte groeit vloeit daar uit voort. Maar als in een paar uur woningen afgebroken worden, opnieuw gebouwd en alweer verouderd zijn als de hoofdpersoon twee uur later door de wijk van zijn jeugd loopt staat dat in schril contrast met het feit dat de ééndagsmens slechts 3 maaltijden eet in zijn leven, dat het eten van een appel 10 hele minuten duurt, een vrijpartij een half uur.
En waarom moet het in Amerika afspelen? (New York?, gele taxi’s, wolkenkrabbers, de elektrische stoel)
Na twee derde van het boek wordt het echter beter. Hoofdpersoon Benny wil het niet bij één keer voortplanten laten en bedenkt een plan. Samen met zijn geliefde Gini plegen ze een brute moord op een weerloze blinde. Beide worden ter dood veroordeeld en komen zodoende in de hel terecht, daar waar alles tot in oneindigheid herhaald kan worden. Daar komt Benny de blinde tegen, die helemaal niet zo weerloos was, en blijkt Gini, ondanks medeplichtigheid aan moord, in de hemel terecht gekomen te zijn.
‘U heeft het aldoor geweten, he? U heeft het voorzien.’
‘Och…’
‘Erger nog. U heeft ons gelokt. Verleid. Die ventilator, dat was uw werk. Ontkent u het maar niet. U heeft zich laten doden… door mij, niet door haar… om ons uit elkaar te drijven. Uit haat.’
‘Och, nou ja. Morgen is er weer een dag, moet u maar denken. U heeft mevrouw Rorqual toch, met haar erotische zwembad?’
Morgen weer een dag, inderdaad. En overmorgen nog een. En zo ad infinitum. Herhaling. Verveling. De herhaling was de tantaluskwelling.
(A.F.Th. van der Heijden – Het leven uit een dag)