Het had een mooie Tour editie moeten worden dit jaar, zo zonder Armstrong. Maar na het gaatjes dichtrijden want er moet een massasprint zijn in de eerste week, het berekende rijden van de favorieten in de volgende twee weken en bovenal alweer een Amerikaanse eindzege, na de volkomen ongeloofwaardige wederopstanding van Floyd Landis, ben ik er helemaal klaar mee. De tijdrit van vandaag heb ik dan ook bewust overgeslagen om een boekje te lezen over de tijd dat het uitrijden van Tour wél een heldendaad was.
Dwangarbeiders van de weg, de Tour van 1924 heet het boekje, en het is geschreven door de Franse journalist Albert Londres. Hier volslagen onbekend, in Frankrijk nog altijd de naamgever van een belangrijke prijs voor literaire non-fictie en Hergé modeleerde Kuifje naar Albert Londres.
Maar goed, de Tour. Wat een verschil met vandaag de dag. Dik 5300 kilometer in slechts 15 etappes. Wel na iedere etappe een rustdag. De winnaar, de Italiaan Ottavio Bottecchia, deed er dik 229 uur over. Etappes van meer dan 400 kilometer zijn eerder regel dan uitzondering. De start is vaak ‘s nachts, de wegen zijn onverhard.
En dan zijn er de “obscuren”, wielertoeristen die zonder ploeg de Tour rijden. Ruim 100 van de 158 starters behoorden daartoe, slechts een enkeling zal Parijs halen. (in totaal zouden er 60 renners finishen)
Vooral bij de obscuren dunden de gelederen uit. Onderweg verdwaalden ze en nadien zijn ze niet meer teruggezien.
Of neem de Franse beroepsrenner Honoré Barthélémy die vier maanden voor de Tour een oog kwijt raakt aan een opspattend grindje en met een glazen oog in een etterende oogkas rond rijdt. Halverwege de Tour vervangt hij het glazen oog voor een pluk watten, daar zie je net zoveel mee, maar het zit wel een stuk zachter. Daar kan Landis met zijn versleten heup nog een puntje aan zuigen. Parijs zou Barthélémy overigens niet halen.
(Albert Londres – Dwangarbeiders van de weg)
