Tomas Ross leek mij altijd een schrijver waar ik van zou kunnen genieten. Een mix van feiten, fictie en complottheoriëen. Maar De vlucht van de 4de oktober viel nog al tegen en De klokkenluider was aardig voor een geschenkboekje. Gelukkig gaf ik Ross nog een kans met Omwille van de troon, en dat is een geweldig boek.
In Omwille van de troon draait het om de Greet Hofmans-affaire en daaraan gekoppeld, wederom, de stadhoudersbrief. Ross komt met de theorie dat Bernard gechanteerd werd met deze brief en dat de Hofmanskliek daarom zo lang hun gang kon gaan. Pas als de binnenlandse veiligheids dienst de brief weet te bemachtigen, en aan Bernard geeft die hem vernietigd, keert de rust op Soestdijk weer terug.
Als liefhebber van complottheoriën had ik overigens het gevoel dat als, zoals in het boek, de CIA er ook moeite voor gedaan heeft de brief te pakken te krijgen, het net zo goed zou kunnen dat die brief niet bij Bernard is beland maar veilig in een kluis in het hoofdkwartier van de CIA in Langley ligt. En dat de Nederlandse regering en het koninklijk huis er nog altijd mee gechanteerd worden. Het zou zo maar een goede reden zijn waarom Nederland mee betaald aan de ontwikkeling van de JSF, of zo gemakkelijk voor het karretje te spannen is inzake the war on terrorism in Afghanistan, om maar een paar voorbeelden te noemen.
Overigens heeft Bernard altijd ontkent dat er zo’n brief heeft bestaan. In zijn befaamde open brief schreef hij onder andere:
Bij de zogenaamde Stadhoudersbrief gaat het om een vermeende brief van 1942, die door mij en volgens sommigen zelfs door mijn vrouw ondertekend zou zijn en waarin ik Hitler (volgens anderen Himmler) zou hebben aangeboden Nederland namens de bezetter te besturen.
Met deze onzin geconfronteerd tijdens zijn wekelijkse persconferentie op 8 december 1978 verwees toenmalig minister-president Van Agt het verhaal naar de prullenbak. Ook het NIOD blijft eenzelfde mening toegedaan. Zo schreef het NIOD begin 2003 dat ‘er niets aan het licht gekomen (is) dat maar enigszins wijst in de richting van de aanwezigheid van deze brief in de NIOD-archieven.’
En over Tomas Ross schrijft hij, naar aanleiding van Omwille van de troon:
De grenzen van fatsoen zijn door publicisten als Kikkert, Tomas Ross, Hans Galesloot en Philip Dröge mijns inziens ver overschreden.
Waaruit je mag aannemen dat Bernard het boek dus gelezen heeft. (fragmenten afkomstig van de Volkskrant website)
Bijzonder is ook dat Ross één van de hoofdpersonen, Wouter Fabius, heeft vernoemd naar de journalist Jan Fabius, die in 1956 tot 10 dagen cel werd veroordeeld wegens majesteitsschennis nadat hij als eerste over de Hofmans affaire had gepubliceerd. Wat dat betreft zit er een rijkdom aan details in de boeken van Ross.
Als je dan een punt van kritiek wil opvoeren tegen Tomas Ross, dan is het de grote rol die het toeval speelt in zijn boeken. Net iets te vaak zijn personages op de juiste plaats, op het juiste moment. In een goed verhaal zoals Omwille van de troon is dat niet storend maar ik weet nu wel waarom De vlucht van de 4de oktober mij zo tegenviel.
Veel in dit boek is waar, veel zou waar kunnen zijn, schrijft Ross in het voorwoord. Wat in ieder geval waar is, is dat ik nog wel vaker een boek van Ross zal lezen.
(Tomas Ross – Omwille van de troon)