Troost

“Twee jaar geleden, ik was toen in Frankrijk, had ik het helemaal gehad. Ik vond mijn vak niet meer leuk. Op dat moment zei ik tegen mijn vrouw: ‘Ik zou wel een boek willen schrijven waarin ik de hardheid van deze wereld laat zien’.”
Ronald Giphart in BOEK nummer 3, jaargang 2

Troost werd dat boek. Als metafoor voor het literaire wereldje gebruikte hij de wereld van de topkoks. Beter was nog geweest als Giphart zijn luit in de willigen had gehangen, Troost is een matig boek.

“Mijn vak? Dat is voor mij aan een tekst schaven. Met taal spelen. Herschrijven, schaven, boetseren.” Maar als dat schaven en boetseren woorden oplevert als primaër, vukking en qutte en een zin als “Inmiddels, jaren later, heb ik, natuurlijk, ha!, zeker wel, allerlei beschermende mechanismen ontwikkeld om de honderden vernederende en denigrerende…”, dan ben ik maar weinig onder de indruk. Ik vind het lelijk, nogal storend taalgebruik. En schrijft hij een keer wel een mooi zin (hoewel slechts een pastiche op Rutger Koplands Jonge Sla, en nog geen eens een hele pastiche: Jonge doperwten, geoogst in mei, vers van het land, knapperig nog: ja!), dan verpest hij het weer door die zin een aantal maal terug te laten keren, zonder dat dát dan weer wat toevoegt.

Maar meer nog dan lelijke taal is het vooral het feit dat dit boek over koken geen enkel moment de eetlust opwekt datgene dat het een minder boek maakt.
Raymond E. Feist kan dat goed, schrijven over een maaltijd met eenvoudig wildgebraad in een herberg waardoor het water je in de mond loopt. Een zwaardvechter op een zodanige manier van een biertje laten genieten dat je als lezer zelf ook een flesje optrekt, ook al is het pas halftien in de ochtend. Maar Giphart schrijft over koffie van champagne en mosterd, over flessen calvados, over glazen Amsterdammers in de kroeg zonder dat je ook maar een moment dorst krijgt. Er worden kreeften gekookt, ganzenlevers, stierenkloten en geestverruimend roggebrood van beschimmelde rogge gegeten maar geen moment dat je denkt van “ja, lekker!”.
Troost is literaire fastfood, gemakkelijk leesbaar, overal verkrijgbaar, maar tegelijkertijd slecht vullend en smaakloos. Een uur later ben je het alweer vergeten.

(Ronald Giphart – Troost)

De terugkeer van de banneling

Het derde deel van Het conclaaf der schaduwen. En heel ander boek dan de eerste twee. Die gaan over Klauw van de Zilverhavik/Claudius Haviks wiens volk wordt afgeslacht en de wraak die hij neemt op degenen die daar verantwoordelijk voor zijn. De terugkeer van de banneling gaat verder waar Koning der Vossen ophield. Kaspar, de voormalig hertog van Olasko, is met magische kracht verbannen naar de andere kant van de wereld en moet daar zien te overleven. Dat lukt, hij komt de eerste dagen in de woestijn door, ontsnapt aan nomadische slavendrijvers, werkt een tijdje op een boerderij, leert de taal en sluit zich aan bij een gezelschap kooplieden. Deze blijken in de ban van een soort harnas wat ze van de plaatselijke bevolking gekocht hebben. Al gauw is ook Kaspar in de ban. Er volgt een queeste die uiteindelijk naar het dak van de wereld leidt, daar waar de Goden wonen.
Het harnas blijkt een talnoy, een soort bezielde robot, te zijn uit een andere dimensie, en zijn aanwezigheid kan leiden tot een scheuring van de dimensies met de vernietiging van de wereld als eindresultaat. De enigen die redding kunnen brengen is het conclaaf der schaduwen. Met hulp van de Goden keert Kaspar terug naar Olasko en sluit zich, na bemiddeling van Claudius, aan bij het conclaaf. De tovenaar blijkt niet dood, die heeft zijn ziel naar een ander lichaam getransporteerd, en is op zoek naar de talnoy. Dit keer wordt er gevochten in het woud van de elven en op het tovenaarseiland, de tovenaar wordt wederom met een zwaard doorboort en kan weer op zoek naar een nieuw lichaam, de talnoy naar een andere wereld, voor de kenners Kellewan, verzonden.
Eind goed al goed zou je denken, maar op de laatste bladzijde wordt een grot ontdekt met honderden, zo niet duizenden talnoys. Dat is het nadeel van fantasieschrijvers, ze schijnen nooit eens een einde aan hun boek te kunnen maken, ze missen een olifant met een lange snuit. In september wordt het eerste deel van de Darkwar serie verwacht, Flight of the Nighthawks, de Nederlandse vertaling zal nog wel wat langer op zich laten wachten, en in de planning staan nog The Dark Empire en Magician’s Sons. Het einde is nog lang niet in zicht.

Het conclaaf der schaduwen boek 1, boek 2

(Raymond E. Feist – De terugkeer van de banneling)

Koning der Vossen

Je wilt weten hoe het verder gaat, dus lees je verder. Het tweede boek van Het conclaaf der schaduwen speelt zich 2 jaar na de gebeurtenissen in Klauw van de Zilverhavik af. Om meer te weten te komen over de magiër Laso Varen treedt Klauw/Claudius in opdracht van het Conclaaf in dienst van zijn aartsvijand Kaspar, hertog van Olasko.
Mijn eerdere vergelijking met Lord of the Rings wordt mij niet door iedereen in dank afgenomen (“Vergelijk jij even appels met peren”, “Kerel, die vergelijking gaat nergens over”), maar toch. Een heerser onder invloed van een magiër, waar hebben we dat eerder gezien? Juliana en Greet Hofmans, tsaar Nicolaas II en Raspoetin maar meer nog Grima Wormtongue en koning Theoden.
Natuurlijk zijn er ook verschillen. Na te zijn verraden wordt Claudius verbannen naar een soort van Alcatraz, alwaar ze ook nog eens zijn rechterarm afhakken. Zoiets overkwam Anakin Skywalker ook al. (gek genoeg verliest Anakin zijn arm door de acteur die in LotR Saruman speelt, hmm)
Maar met een beetje magie groeit dat er weer aan, er volgt een ontsnapping, er wordt weer een kasteel bestormd, de tovenaar wordt gedood en de Hertog met magische hulp verbannen naar de andere kant van de wereld. En ze leefde nog lang en gelukkig.
Toch, ondanks die kritiek, is het een alleraardigst boek. Een vlot lezend verhaal met voldoende spanning. Dat ik in achtenveertig uur bijna 300 bladzijden lees zegt genoeg.

(Raymond E. Feist – Koning der Vossen)

Klauw van de Zilverhavik

Wie ooit een fantasy roman heeft gelezen, heeft ze allemaal gelezen. Of beter: wie Lord of the Rings heeft gelezen (of gezien), heeft alle fantasy romans gelezen. Lord of the Rings is de moeder aller fantasy romans, het sjabloon waar alle andere fantasy romans aan voldoen. Zo ook Klauw van de Zilverhavik, deel 1 van Het conclaaf der schaduwen van Raymond E. Feist.

Elk fantasy verhaal heeft zijn een jongeling (Frodo) als held, vaak van eenvoudige afkomst (Hobbits), die een taak te volbrengen heeft waar hij in eerste instantie niet geschikt voor is (de ene ring vernietigen). Gelukkig is er ook altijd iemand om de held bij te staan met raad en daad (Gandalf). De held bezoekt voor het eerst een stad (Rivendell) en kijkt zijn ogen uit. En er is altijd een grote veldslag (Helmsdeep). Vrouwen spelen in het gunstigste geval een kleine bijrol (Arwen), maar zijn meestal slechts aanwezig als lustobject (dat laatste is een toevoeging van de overige fantasy schrijvers).
In Klauw van de Zilverhavik heet de held Klauw, de enige overlevende van een kleine gemeenschap jagers uit de bergen, en zijn taak is het wreken van zijn volk. Hij krijgt hulp van Robert d’Leys, en later ook andere leden van het conclaaf der schaduwen. Hij bezoekt de stad Latagore (citaat: “Klauw keek zijn ogen uit.”). En zoals gezegd: een veldslag. Helmsdeep is dit keer de nederzetting Queala. (ook typisch fantasie: tongbrekende namen) De weinige vrouwen die ook met naam in het boek voorkomen belanden in het bed van Klauw.
Niet alleen is Klauw van de Zilverhavik deel 1 van Het conclaaf der schaduwen, maar ook nog eens deel 20 van de reeks De oorlog van de grote scheuring. Het boek is prima zelfstandig te lezen, simpel geschreven maar spannend en met leuke actie. Voor degene die ooit Magiër, het debuut van Feist en veruit zijn sterkste boek, gelezen hebben een feest van herkenning. Klauw bezoekt het magiërseiland en ontmoet Puc (de frodo van Magiër zeg maar). Het enige minpuntje is dat je nog 2 delen moet lezen om te weten hoe het verhaal, ook al is het boek een afgerond geheel, écht afloopt.

(Raymond E. Feist – Klauw van de Zilverhavik)