De liefdesbaby

De liefdesbaby is een verdere uitbreiding van het Homo Duplex universum. Chronologisch sluit het aan op gebeurtenissen uit De Movo Tapes. Tevens is het de voorgeschiedenis van Mim. Oidipous in een modern jasje, met een stel tieners als ouders in plaats van een koningspaar.

In vergelijking met Mim bevat De liefdesbaby een wat taaier proza, alsof het hier slechts een vingeroefening betreft, een nog te herziene versie van wat een groter hoofdstuk in een onverschenen écht deel Homo Duplex moet gaan worden.

(A.F.Th. van der Heijden – De liefdesbaby)

Gentse lente

[Al lezende kreeg deze beschouwing zijn vorm]

Het dertig jarige schrijverschap van A.F.Th. van der Heijden wordt gevierd met de uitgave van de verhalenbundel Gentse lente. 14 verhalen in omgekeerd chronologische volgorde afgedrukt, 14 korte beschouwingen:

Schwantje’s Fijne Vleeschwaren: las ik eerder dit jaar al in Koud Bloed #1 en boeide toen maar matig. Eerlijkheid gebied te zeggen dat ik eigenlijk al geen idee meer had waar het ook alweer over ging. En of een tweede lezing van dit De Tandeloze Tijd gerelateerde verhaal daar verandering in brengt is nog maar de vraag.

Mystery guest: AFTh ontmoet zijn romanpersonage Zora Witlox in de tram, of toch in ieder geval iemand die daar heel veel van weg heeft. De vraag is waar de grens ligt tussen feit en fictie. Verhaal is kort genoeg om te blijven boeien.

Gentse lente: hoe AFTh tijdens een lezing in Gent in zijn onderbroek op straat kwam. Amusant met ook een paar boeiende wetenswaardigheden, hoewel het ook hier de vraag is waar de grens tussen feit en fictie ligt.

Krakelingen met kaneel: liefde door de seizoenen heen, en een nominatie voor de Slechte Seks Prijs waardig. Het minste verhaal tot nog toe, maar ja, om krakelingen geef ik normaal gesproken ook al helemaal niets.

Grote scheep vastgestrand in Geuldalrivier: AFTh schrijft toch opvallend vaak over misdaad. In dit verhaal speelt het voormalig topmodel Rita Sabbe, bijgenaamd Sabberita een rol. Eerder speelde zij een rol in De Movo Tapes en in de in 1998 beperkt verschenen novelle Sabberita. Of dit verhaal daarmee een Homo Duplex gerelateerd verhaal is blijft onduidelijk.

Uitdorsten: het requiem voor zijn moeder. Verscheen eerder samen met De sandwitch en Asbestemming onder de titel De requiems (in 2003) en vorig jaar nog als losse uitgave. Volgens de “kenners” op het AFTh forum bevat deze versie een extra hoofdstuk. Dat zou wel eens hoofdstuk 22 kunnen zijn, dat is namelijk exact gelijk aan de bijdrage die AFTh exclusief schreef voor Groeten van Rottumerplaat.

Professie: bergredenaar: nog een requiem, voor Johnny “the selfkicker” van Doorn dit keer. Bij verhalen denk ik eerder aan fictie dan aan dit soort non-fictie. Evengoed wel een boeiend portret.

De magneetvrouw: eentje uit de afdeling erotische vertellingen, zoals Krakelingen met kaneel maar dan beter.

Weerborstels: net als Schwantje’s Fijne Vleeschwaren een Geldrop/De Tandeloze Tijd verhaal. Blijft een mooie schets van een arbeidersgezin in de jaren ’60/’70. Wat mij deze keer opvalt is hoe de oogkwaal van oom Robert omschreven wordt:

Bij oom Robert, de jongste van zeven “Bertjes” Egberts, was het zijn doorstoken oog waardoor hij het liefst permanent onzichtbaar had willen zijn.

Doorstoken oog of doorstoken globe, wat is het verschil behalve het formaat?

Dichters slaags: AFTh op tournee tijdens de boekenweek.

“Haft. Netvleugelige eendagsvlieg.Ephemera vulgata. Van der Heijden, A.F.Th. was toch de naam? Uw initialen vormen vast niet toevallig het anagram van de eendagsvlieg… Haft zal ik u voortaan noemen. Maar leest u toch verder!”

Zou daar het idee van Het leven uit een dag uit voortgekomen zijn?

Brief aan de dirigent: AFTh. componeert een symphonie voor het concertgebouw, in een brief aan dirigent E.

Adagio: over Egbert Egbertse, dus ook weer een De Tandeloze Tijd verhaal.

Het Byzantijnse kruis: fragment in ruwe vorm van De slag om de Blauwbrug. Doet beseffen dat De Tandeloze Tijd wel biografisch lijkt, maar dat toch niet geheel is.

De gebroken pagaai: geschreven toen AFTh nog Patrizio Canaponi heette. Duidelijk nog zoekende naar een eigen stijl, en gelukkig heeft die ook gevonden. Duizend pagina’s Schervengericht in dit proza zou ik nooit uitgelezen hebben. Toch is ook hier al sprake van oom Hasje, en zijn schilder hulpje Hans ter K. die eerder in Dichters slaags AFTh. voor eendagsvlieg uitmaakt. Werkelijk alles lijkt met elkaar verweven.

(A.F.Th. van der Heijden – Gentse lente)

Kruis en kraai

Van der Heijden over de roman. Mooi essay met de nodige zelfspot en zelfkennis, maar ook een hoop terecht commentaar op de literaire kritiek, op het boekenvak en nog wat van die dingen. Dat alles gegoten in een brief aan zijn vriend en vroegere redacteur Anthony Mertens. Nadat deze een herseninfarct kreeg was de vriendschap blijkbaar ook over. Of zoals avondlog meldt: “De veertig pils met Adri van der Heijden behoren tot het verleden.”

(A.F.Th. van der Heijden – Kruis en kraai)

Koud Bloed #1

In navolging van een paar literaire sporttijdschriften (Hard gras, De muur) en een literair muziektijdschrift (Wahwah) is er met Koud Bloed nu ook een literair true crime magazine. Vast niet geheel toevallig verschijnt het eerste nummer vlak voor de maand van het spannende boek.

Geïnspireerd door In cold blood van Truman Capote. Dat legt de lat meteen al hoog. A.F.Th. van der Heijden komt met een verhaal gebaseerd op de moord op de keurslager in Geldrop, goed leesbaar, maar hij mag er nog hard aan schaven voor het deel uit kan maken van een nieuw deel Tandeloze tijd. Een viertal gedichten van Jan Schoorl vormen een aardige bijdrage, evenals een kort verhaal van Eva Maria Staal en een, hopelijk vervolg rubriek, Misdaad in muziek van Leo Blokhuis waarin dit keer de ballade Tom Dooley centraal staat. Ook een paar andere vaste rubrieken lijken aan de hand van dit eerste nummer de moeite waard: Het voorwerp (waar van Ledden Hulsebosch om de hoek komt kijken), Misdaadtaal (geschreven door Ewoud Sanders) en De misdaadfilm.

(Koud Bloed – nummer 1 , 2008)

Quauhquauhtinchan in den vreemde

In A.F.Th’s romancyclus ‘Homo duplex’ steekt de verteller, om aan een dagvaarding van de rechtbank van Los Angeles te ontkomen, een tinnen degen door een grote, lichtgevende wereldbol: hij wil vluchten naar de verst verwijderde plek op aarde. De auteur had aldoor het gevoel dit beeld al eerder te zijn tegengekomen – en stuitte bij herlezing van De versierde mens op dit fragment uit ‘Q in den vreemde’, Mulisch’ Mexicaanse Oedipus-verhaal: ‘Vier ministers, zestig generaals, de directeur van de posterijen en talloze kapitalisten hadden het land verlaten, hadden een breinaald door hun globe gestoken en waren naar het verste punt op de kloot gevlogen.’ Deze ontdekking vormt het uitgangspunt voor de novelle waarmee A.F.Th. zijn collega toezingt bij diens tachtigste verjaardag.

Dus las ik na Mim Harry MulischQuauhquauhtinchan in den vreemde uit de bundel De verhalen. Dat viel nog niet mee. “Een sprookje” luidt de ondertitel, maar “kijk mij eens interessant doen met een wiskundige formule” was misschien een beter alternatief geweest. Erg Oidipous is het trouwens ook niet, wel een moord op de vader en een blinde ziener, maar daar houdt de vergelijking dan ook op. Goed, nu weet ik waar dat beeld van de doorstoken globe vandaan komt.

(Harry Mulisch – Quauhquauhtinchan in den vreemde)