Komrij. Gerrit

You are currently browsing articles tagged Komrij. Gerrit.

Trou moet blycken

Kost en inwoning beviel zo goed dat ik ook die eerdere twee bundels poëzie beschouwingen van Gerrit Komrij wilde lezen. Het bleek nog niet zo gemakkelijk die te vinden. Ik vroeg beide dus voor mijn verjaardag, en zowaar, ik kreeg Trou moet blycken.

Dit tweede deel beschouwingen leest al net zo plezierig als het eerder gelezen derde deel.

Na zo veel vraagtekens wordt het tijd het gedicht opnieuw te gaan lezen.

zo besluit Komrij zijn beschouwing van Hans Lodeizens Je hebt me alleen gelaten…. En bij De muur waaide op en verdween… van Tonnus Oosterhoff schrijft Komrij

Daarom lees je het langzaam nog maar eens. Je neemt het regel voor regel tot je. Je proeft het als het ware, wat bij een gedicht ook wel eens mag.

Het is de kracht van dit boek. Het doet gedichten lezen en herlezen. Op mijn verlanglijstje voor oktober staat al vast In liefde bloeyende.

(Gerrit Komrij - Trou moet blycken)

Sounds a lot better then “stokje”. Verca said I may write the questionnaire in Dutch, but I take the challenge and write it in English. Maybe steenkolen English.

You’re stucked inside Fahrenheit 451, which book do you want to be?
First thing in mind is De gekwelde woordenaar, but that is more because of the title. After all I am de woordenaar.

Have you ever had a crush on a fictional character?
A crush is a strong word, but in a way I admire Death from the discworld series.

The last book you bought?
Otto Weininger of Bestaat de jood? from Marek van der Jagt, written for the month of philosophy. The essay will concern the work of the Viennese philosopher Otto Weininger, who became popular after his suicide on his 23e.

The last book you read?
I just finished Gouden woorden by Gerrit Komrij, a collection of columns written for Dutch newspaper NRC.

What are you currently reading?
I have almost finished Marek van der Jagt’s De geschiedenis van mijn kaalheid. I really do love the work of Arnon Grunberg and his alter ego Marek van der Jagt.

Five books you would take to a desert Island.
Finally the time to read the Bible. And, to read it in a proper way, I also take De bijbel volgens Nicolaas Matsier with me. That book is really an eye-opener, reading the bible as literature.

Naturalis historia by Plinius is another book I really want to read. A true encyclopaedia in 37 books, composed without much critical sense, in which an enormous mass of facts has been incorporated, concerning nature sciences, astronomy, geography, anthropology, biology, medicine, mineralogy (and connecting thereby also important data concerning the application in and the history of the arts).

I would like to read Mein Kampf, just to see what’s in it and why it is forbidden. Arnon Grunberg read it before writing De joodse messias, in which the main characters are planning to write a Hebrew translation of that book.

My last selection will be De lof der zotheid by Erasmus, which is standing on the shelves for years.

‘Iedereen doet voortdurend zijn zegje.’ - Gerrit Komrij

Ik las je boekje Gouden woorden Gerrit, en op een gegeven moment schrijf je zelf wat er mis is met het boekje. ‘Iedereen doet voortdurend zijn zegje.’ Ook jij zelf Gerrit. Regelmatig dacht ik “waar maak je je druk om?” Je woont, zoals je Bart Jan Spruyt laat weten (blz. 118), tweeduizend kilometer verderop ‘tussen beschaafde mensen’. Waarom maak je je dan druk om een paar pubers die zich treinterroristen noemen? Vind je de uitspraak van zo’n puber (’Ik heb niks tegen conducteurs. Maar ze moeten niet meteen naar mijn kaartje vragen.’) nu echt de moeite van een stukje waard? Ik kan mij er niet echt druk om maken, en ik woon nog wel om de hoek.
Wiens idee was het eigenlijk om een stapel krantencolumns als boekje uit te geven? Ik verdenk je uitgever ervan, zeker gezien de ondertitel. De jongste vaderlandse geschiedenis. Dat woordje geschiedenis is er zeker aan toegevoegd om aansluiting te vinden bij de afgelopen boekenweek? Het gebrek aan data maakt het echter een matig naslag werkje. Bovendien is veel van de inhoud van weinig waarde op de langere termijn. Jamai, Paul Smeets, Judith Wolf, Albert van der Vliet, ze zijn nu al vergeten. Stuk voor stuk geen types die te vergelijken zijn met een Bonifatius, een Willem van Oranje of een Willem Drees.
Dat al wil nog niet zeggen dat je stukjes slecht zijn. Een paar stukjes zetten wel degelijk aan het denken. Je stukje naar aanleiding van de Gouden woorden van Pieter Hofstra (blz. 136)bijvoorbeeld, wederom actueel na de dwaze vader van afgelopen week:

Er is een nieuwe klassenstrijd in de maak. Vroeger ging het om de fabrikant en de arbeider. Om de clerus en de leek. Om de adel en de horige. Om rijk en arm. Nu zal het gaan tussen het beveiligde en het onbeveiligde deel. Tussen de heren die hun huid kunnen laten redden en de sukkels op wie hoofd het vrijelijk bommen mag regenen.
We zullen de opkomst meemaken van een sterke derde klasse. De klasse van de beschermers zelf, de lijfwachten en fouilleringsbeambten. De wereld wordt een driepartijenstelsel, met de beveiligingsindustrie als derde partij. Het aanzien van politie en militairen zal reusachtig stijgen. In feite zijn oorlog, razzia en pakkans nu al geen vieze woorden meer.

De spijker op de kop. Zulk soort overpeinzingen lees ik graag. Maar dus liever niet meer in een boekje. En eigenlijk is ook het NRC, waar je je stukjes in publiceert, geen optie. Het mooiste zou zijn als je gaat webloggen Gerrit. Op goudenwoorden.nl bijvoorbeeld. Internet is voor jou geen vreemd gebied. In Gouden woorden surf je vrolijk naar de homepage van Teun A. van Dijk om te kijken of hij nog steeds over je beweerd dat jij Mohammed Rasoel bent, en in het vorige boek dat ik van je las gebruik je het woord google als werkwoord. Webloggen mag dus geen enkel probleem zijn. En webloggers doen voortdurend hun zegje, in de waan van de dag. Het wordt één groot feest der herkenning voor je.

(Gerrit Komrij - Gouden woorden)

Literatuuronderwijs op de mavo stelt weinig voor. Als je 6 Nederlandstalige boeken las voor je eindexamen was men al tevreden. Poëzie kwam al helemaal nauwelijks aan bod. Al wat ik daar over leerde was: poëzie is een gedicht, een gedicht rijmt en dat schrijf je met Sinterklaas. Een beetje kort door de bocht, maar daar kwam het op neer. Hoe poëzie te lezen, waar een goed gedicht aan voldoet, welke dichters in de canon thuis horen en waarom, het bleef allemaal duister. Ik heb de poëzie dan ook lang links laten liggen, want waar te beginnen?
Zojuist las ik de bundel poëziebeschouwingen Kost en inwoning van Gerrit Komrij:

Een gedicht is geen verhaaltje. Een gedicht is… nu ja, een gedicht. Een reeks woorden waarbij het ene woord voortvloeit uit het andere, ook als ze niet uit elkaar voortvloeien. Woorden die niet zonder andere woorden kunnen en die je toch op hun eigen merites moet beoordelen.

Komrij is een kenner. Zijn De Nederlandse poëzie van de twaalfde tot en met de twintigste eeuw in 3000 en enige gedichten staat hier in de kast, en belangrijker nog, komt er ook regelmatig uit.
Kost en inwoning (poëzie is geen tijdelijk onderdak, poëzie is kost en inwoning) is de derde bundel over poëzie, na In liefde bloeyende en Trou moet blycken. Het is ook zijn laatste als we hem moeten geloven.
De bundel is opgedeeld in vier delen: onderbelicht, te hoog gegrepen, levende dichters, dode dichters. Vooral “te hoog gegrepen” is een lust om te lezen. Ik moet lachen om de manier waarop dichters en gedichten worden afgeserveerd, maar Komrij maakt ook goed duidelijk waarom, het is niet zo maar dichtertje pesten.
Komrij blijkt ook een vervent gebruiker van internet. Zo behandelt hij dit gedicht (ook “te hoog gegrepen”) en verbaast hij zich dat onderbelichte dichters als Willem van den Aker en Frans Buyle niet tot nauwelijks googlebaar zijn.

Arme Willem van den Aker, niet één hit op Google. Daar is geloof ik een term voor verzonnen, voor woorden of woordcombinaties die zelfs googlend geen resultaat opleveren, zo zelden komen ze voor. Een hapax bij Homerus was tenminste nog een woord dat één keer kon worden aangetroffen, maar een naam die nergens bestaat? Daaraan hangt een dichter die niet bestaat.

Tegelijkertijd is het ook een gids. Ik wil meer lezen van de onderbelichte Hendrik van Teylingen (“Hoe kan iemand een hare krisjna zijn, in zo’n sinaasappeljurk, en tegelijkertijd een van de meest komische dichters uit onze literatuur?”), Eddy van Vliet en Mustafa Stitou. Maar bovenal ook die eerder twee bundels. In liefde bloeyende en Trou moet blycken.

(Gerrit Komrij - Kost en inwoning)