In een interviewfragment bij het voorwoord van De eed van trouw zegt George R.R. Martin
Ik heb iets met grijze personages, personages die niet zijn wat ze lijken, personages die aan verandering onderhevig zijn. Meestal worden de handelende personages in een verhaal te zwart-wit neergezet, allemaal bestrijden ze wel een Duistere Heer. Zoiets schrijven, dat interesseert me eenvoudig niet. Je moet de ruimte hebben om beide kanten van een conflict te belichten, want echte mensen in een echte oorlog gaan doorgaans uit van hun beleving om tot een soort zelfrechtvaardiging te komen; we maken ons wijs dat wat wij doen juist is. Behalve misschien in een cartoon, is er toch niemand die zegt: “Ik ben de Duistere Heer en ik ga nu op pad om Duistere dingen te doen.” Wij zijn allemaal Grijze Heren.
Ook De eed van trouw staat bol van grijze personages, de kwade blijken zo kwaad nog niet, en de goede zo goed niet.
De wereld van Het lied van ijs en vuur luidt de ondertitel, maar met die boeken heeft dit verhaal, en eerder ook De hagenridder niet veel van doen. Goed, het speelt in dezelfde wereld af, maar wel zo’n 100 jaar eerder. Dunk de hagenridder zal in de boeken niet voorkomen evenals de, in De eed van trouw, 10 jarige schildknaap Ei die eigenlijk prins Aegon heet en kleinzoon van de koning is. Wel zijn in deze verhalen over Dunk en Ei al de intriges te bespeuren die uiteindelijk zullen leiden tot het werkelijke Lied van ijs en vuur. En nu op naar Het spel der tronen.
(George R.R. Martin – De eed van trouw)