Ik lees zelden een hele dichtbundel. Poëzie moet je kopen en direct in de kast zetten, om er vervolgens af en toe in te bladeren en in te lezen, aldus Nick Hornby in The complete polysyllabic spree, en daar kan ik het alleen maar heel erg mee eens zijn. Maar van Piet Paaltjens plaatste ik al een paar keer een gedicht toen ik nog meedeed aan DiDi, en ook Abdelkader Benali wist met Paaltjens te verrassen in De langverwachte. Een mooie uitgave van Snikken en grimlachjes in de reeks Salamander Klassiek is dan vervolgens een goede reden om nu eens de overige gedichten van Piet Paaltjens tot mij te nemen.
Piet Paaltjens is het heteroniem van de vrijzinnige predikant François HaverSchmidt (1835-1894), hij verzorgt ook het voorwoord bij deze bloemlezing:
Spoedig werd mij duidelijk dat Paaltjens ongelukkig was. Maar wat hem scheelde mocht ik niet ontdekken. Als men op zijn verzen kon afgaan zou men tot het besluit komen, dat valsche vrienden en hardvochtige schoonen zijn hart gebroken hadden.
In het nawoord bij de uitgave die ik las schrijft Rob Nieuwenhuys:
Achter de spottende Paaltjens met zijn gekke capriolen staat van het begin af aan de man [HaverSchmidt] met zijn steeds diepere en langdurigere depressies. Hij heeft zijn leven lang een strijd moeten voeren tegen perioden van neerslachtigheid, tegen zijn doodsangst en doodsverlangen. Ze staan in zijn werk centraal. Het was Piet Paaltjens die hem nog lang op de been hield.
Op 19 januari 1894 maakt HaverSchmidt een eind aan zijn leven, door zich aan een gordijnkoord van zijn bedstee op te hangen.
En meteen zocht zijn blik
Naar een eiketak, dik
Genoeg om zijn lichaam te torschen.
Daarna haalde hij een strop
Uit zijn zak, hing zich op,
En toen kon hij zich niet meer bemorsen.(fragment uit het gedicht De zelfmoordenaar)
Wat rest is honderd bladzijden poëzie.
(Piet Paaltjens - Snikken en grimlachjes)
