De dubbele schaar

Wie zei daar dat sport zo mooi is? Het is afschuwelijk. Maar wat kan hij doen?

De dubbele schaar is niet alleen maar een Tour boek, eerder een sportzomer boek. Naast wielrennen, staan er verhalen in over voetbal, verspringen en schaatsen. (Schaatsen? Sportzomer? Ja! Waarom wordt er eigenlijk niet geschaatst in de zomer, op het zuidelijk halfrond, moet toch kunnen?)

Hoewel ik geen echte sportliefhebber ben heb ik genoten van dit boek. Net als eerder in De proloog mixt Bert Wagendorp feiten met fictie. En dit keer nog overtuigender. Volgens mij komt dat omdat dit keer niet de sporter de hoofdfiguur is, maar de toeschouwer. In drie van de vier verhalen is die toeschouwer een schrijver, 2x een journalist, 1x een aankomend schrijver, en ook in het vierde verhaal loopt er een journalist rond.

Het boek opent sterk met het verhaal De zwever, waarvoor Bob Beamon model stond. Verspringen, de Vietnam oorlog, Jacqueline Kennedy Onassis, black panthers en de eerste Apollo vluchten op geniale wijze vermengt.

De spiegel van Ballangrund, is goed, maar ik heb niet zoveel met schaatsen, zo mogelijk nog minder als met verspringen.

Van de vier sporten in het boek zie ik voetbal nog het meest, niet zo moeilijk want “Voetbal is een testbeeld geworden waar je verveeld langs zapt”, aldus Youp van ‘t Hek. Toch was uitgerekend het voetbalverhaal, het titelverhaal, het minste van de vier. Een beetje bloedeloze nul-nul.

Het verhaal Het Beest tenslotte, over de terugkeer van Greg LeMond in het peloton na een bizar jacht ongeluk is weer geweldig, eindigend met de spannende tijdrit naar Parijs in 1989, waar Laurent Fignon uiteindelijk 8 seconden tekort kwam op Greg LeMond om de Tour op zijn naam te schrijven.

(Bert Wagendorp – De dubbele schaar)

De proloog

Morgen moet ik de proloog winnen. Er is elk jaar maar één proloog, de proloog van de Tour de France. De proloog is maar vijf kilometer en zeshonderd meter maar als je hem wint is je seizoen goed.

Elk jaar is er maar één wielerwedstrijd, de Tour de France. Nou ja, voor mij dan. De Vuelta, de Giro, de voorjaarsklassiekers, aan mij gaat het allemaal voorbij. Maar dus niet met de Tour. En elk jaar lees ik tijdens de tour minstens één titel over wielrennen. Dit jaar zelfs al voor de Tour want De proloog van Bert Wagendorp gaat over de proloog, en om zoiets nu tijdens de achtste etappe te lezen…

De proloog vermengt op mooie wijze feiten uit de wielerhistorie met een fictief verhaal. De nacht voordat de proloog van start gaat ligt een renner, “de student” zoals zijn kamergenoot hem noemt (en dat omdat hij wel eens een boek leest), wakker en overdenkt de wielerwereld. Af en toe wordt zijn kamergenoot wakker van het gewoel en praten ze samen. Een stoet van bestaande renners komt voorbij alsmede de onvermijdelijke doping en het verkopen van de koers.

We gingen er niet eens van uit dat je naturel zou kunnen winnen, de winnaar had gekocht of geslikt en waarschijnlijk allebei, dat lag vast.

Een leuk detail is dat de twee renners nogal afgegeven op de pers, leuk omdat Bert Wagendorp zes keer de Tour versloeg voor de Volkskrant.

(Bert Wagendorp – De proloog)

De Muur #10

Terwijl Lance Armstrong met champagne voor de 7de keer in het geel naar de finish in Parijs reedt, finishte ik mijn tweede wielerboek van deze tour. Eigenlijk een tijdschrift. De Muur. Wielertijdschrift voor Nederland en Vlaanderen. Nummer 10, juni 2005. Maar qua feel en vormgeving eerder een periodiek verschijnende verhalen- en gedichtbundel. En ook niet onbelangrijk: EXTRA DIK Zoetemelk-nummer. Sluit mooi aan bij het eerste wielerboek.
Qua inhoud is het wisselend. De bijdrage van de huidige tourdirecteur Jean-Marie Leblanc is niet meer dan een eerbetoon aan de renner Zoetemelk, een opsomming van de feiten betreffende de tourprestaties van Joop. Aardige woorden, maar meer ook niet. Ook de bijdrage van Wilfried de Jong valt tegen, jagen met Joop voor Sportpaleis de Jong en hoe dat niets opleverde.
Maar de uitschieters maken een hoop goed. De gedichten van Huisdichter Cornelis en Harry Zevenbergen. Philip Freriks over het ‘Pfff’ van Joop en hoe Frans dat wel niet is. Een interview wat Jan Kal (de dichter van het wonderschone Mont Ventoux) hield met Zoetemelk in 1976 voor de Haagse Post (in 1978: “Ik ben die man met dat lange haar, van de HP”, hielp Kal hem. “Twee jaar geleden hebben we elkaar gesproken”. “O ja”, zei Joop Zoetemelk. “Dat is waar ook. Toen kwam er zo’n mafketel langs”). En deel 7 van de serie Pieter Weening op weg naar de tourzege van Volkskrant journalist Bert Wagendorp, op zoek naar een overeenkomst tussen Pieter Weening en Joop Zoetemelk die uiteindelijk ligt in de numerologie:

Hoe dan ook, de letters JOOPZOETEMELK vertegenwoordigen een numerologische waarde van 168. Die getallen dienen volgens de mystieke wetten van de numerlogie te worden opgeteld (15), waarna ook die twee cijfers moeten worden opgeteld. De numerologische waarde van Joop Zoetemelk kan zodoende worden vastgesteld op 6.
Pieter Weening heeft een waarde van 150. Nu is nog maar een optelling nodig: 1+5=6!

Pieter Weening wordt dus de volgende Nederlandse tourwinnaar. Alleen jammer dat zijn waarde niet 4 is, zoals bij Eddy Merckx, Miguel Indurain en Jacques Anquetil, allen 5-voudig tour winnaar. Lance Armstrong heeft zelfs een numerologische waarde van 7, als dat geen toeval is.
En misschien is het wel allemaal onzin, maar wel vermakelijke onzin. 1 juli 2006 start de tour in Strasbourg, tegen die tijd sla ik ook weer een wielerboek open. Wie weet De Muur, nummer 13, juni 2006.

(De Muur – Nummer 10, juni 2005)